keurmerk

Dit deel van de expositie gaat over de geschiedenis van televisie reportagewagens zgn. 'O.B. Vans'.

Wie bouwt er mee terug in de tijd.

Het televisietijdperk in ons land begon al meer dan een halve eeuw geleden. 
In 1925 start Philips in z'n Eindhovense Philips Research met onderzoek en drie jaar later kan men pers en publiek al het eerste resultaat laten zien. Een beeld met 48 beeldlijnen, niet veel dus, maar in 1936 is men zover dat een beeld met 405 beeldlijnen kan worden gedemonstreerd. 
In 1938 komt men met het resultaat naar buiten: in het Utrechtse Jaarbeursgebouw maakt Erik Klaas de Vries onder meer opnamen met Wim Kan en Corry Vonk. 
Een jaar later komen in Engeland al de eerste toestellen op de markt met 405 beeldlijnen. In ons land wordt dan al van overheidswege de invloed van televisie bestudeerd, maar door de oorlog wordt de eerste stap abrupt afgebroken. Maar zodra we die oorlog in 1945 achter de rug hebben, pakt Philips de draad weer op. Het bedrijf komt met de PET ofwel Philips Experimentele Televisie om de eigen standaard (625 lijnen) op de internationale markt te introduceren. Drie jaar lang wordt uitgezonden in een straal van ongeveer vijftig kilometer. Het publiek bestaat uit een paar honderd kijkers, die gratis een tv-ontvanger hebben gekregen. 
Wanneer op 12 december 1949 de Minister van Verkeer en Waterstaat bekend maakt, dat men in ons land kan overgaan tot de officiële introductie van televisie is dat een belangrijke stap vooruit. De datum waarop het echt begint kent bijna iedereen wel uit zijn hoofd: 2 oktober 1951. Op het moment van die eerste televisie-uitzending beschikt Philips al over een reportagewagen.

NBM Crossley oplegger combinatie, bestaande uit TCR-27 + OB25 staan op het tram- en busstation te Amersfoort. (Foto: Archief Midnet)

obv77.JPG (26135 bytes)
mus0072.JPG (12848 bytes) Met dank aan Sievert Bodde voor deze foto van een soortgelijke opleggerbus.
Daar is heel wat aan vooraf gegaan, want toen de oorlog eenmaal voorbij was, waren in ons land nauwelijks transportmiddelen over. In 1945 gingen de kopstukken van de Nederlandse industrie  om de tafel zitten om te kijken hoe ze dat moesten aanpakken. Tot de bedrijven, die in de oorlog weinig schade hadden opgelopen, behoorde D.A.F.   Het oppakken van de productie liep dan ook tamelijk vlot. Ook weer niet te vlot, want er moest ook materiaal uit het buitenland worden gehaald, maar in vergelijking met andere bedrijven in ons land was men toch weer tamelijk snel aan de slag. Tot de gemaakte plannen behoorde ook het voornemen om samen met de N.S. het openbaar vervoer in ons land weer snel vorm te geven.

bouwtekening

Dat het wel even zou duren voordat alles weer werd zoals voor de oorlog was overigens duidelijk. Men moest zich dus voorlopig behelpen. Een groot probleem bleek de aanschaf van een bus-chassis, trucks waren er genoeg. 
De laatste nog voorradig uit de oorlog of aangeschaft in Engeland. Daarom ging men over tot de aanschaf van opleggerbussen. Bij D.A.F. was men overigens al jaren vertrouwd met het maken van opleggerbussen. 
De carrosserieën werden gemaakt bij Verheul, Werkspoor en Fokker (!). 
Voor die opleggerbussen (D.A.F. OB) werden Crossley trekkers gezet. Deze "noodbussen" met 80 zitplaatsen zijn zelfs gebruikt tot in de jaren '60. 
Ook bij Philips werden die noodbussen ingezet voor het personeelsvervoer. Men schafte er 25 aan uit de D.A.F. OB-serie, waarin er in de jaren 1946-1948 overigens meer dan 300 zijn gemaakt. De opleggers kon men gemakkelijk herkennen aan de zogenaamde kilometerteller in de achteras.

Circa 1956 liet Philips een aantal nieuwe opleggerbussen bouwen bij Deckers te Leiden. Ze werden getrokken door een D.A.F.

obv76.JPG (20006 bytes)
Toen men bij Philips een reportagewagen wilde maken, moest die wagen natuurlijk wel aan bepaald eisen voldoen. Het is vrijwel zeker dat men in Eindhoven één van die aangeschafte opleggerbussen heeft omgebouwd tot reportagewagen (wie weet om welke auto het precies gaat?). 
Omdat er toen bij Philips veel met Ford vrachtauto's werd gereden, werd ook de eerste reportagewagen door een Ford getrokken. Dat was ook het geval toen die reportagewagen bij de N.T.S. (Nederlandse Televisie Stichting) kwam. Omdat men bij D.A.F. rond 1950 zélf begon met het maken van vrachtauto's, was dat een doorn in het oog van Hub van Doorne. Overigens had de N.T.S. voor de eerste reportagewagen die Ford overgenomen van de P.E.T., van Philips dus. Van Doorne wilde natuurlijk vooral de eigen wagen zien staan. 
Zie ook de tekst:D.A.F. en de geschiedenis van televisie in Nederland.'
Bekend is overigens dat via die eerste voetbalreportage in ons land is uitgezonden op 10 september 1950: P.S.V. - E.V.V.
obv78.JPG (21215 bytes)


Destijds viel televisie onder de radio- afdeling van Philips. Kijk eens op de reportagewagen: Philips-radio, en dat terwijl er toch echt televisiecamera's op het dak staan.

Door een toeval kwam de schrijver dezes op een bepaald moment één van de overgebleven opleggers op het spoor. Verder speuren leverde als resultaat de ontdekking op dat er nog altijd zeven opleggers bestaan. Waarvan (en dat was echt een ontdekking!) nog één in ongerestaureerde staat in het D.A.F. museum.

Op dat moment werd het idee geboren: zou het niet aardig zijn die reportagewagen weer in oude staat te brengen? Dus: weer op te bouwen zoals het was. Er zijn nog altijd omroepmedewerkers die weten hoe die wagen er destijds uitzag. Daarnaast weten we dat er nog veel oorspronkelijke apparatuur aanwezig is in het Omroepmuseum. 

Overigens werden in het midden van de jaren vijftig de Philips camera's vervangen door Duitse camera's. Een gevoelig moment, ook met het oog op de nog maar kort achter de rug zijnde oorlog. De N.T.S.-wagen werd toen omgebouwd op een Commer-chassis, drie Fernseh GMBH camera's Orticon deden hun intrede. Kijk maar eens in het Omroepmuseum, want daar staat die wagen: trein 1, wagen 9. Een gekke nummering, maar daar is een verklaring voor:  De oplegger was in feite onderdeel van de eerste trein. Een combinatie van een materiaalwagen, een Ford busje voor personeel (FK 1000) en een Ford reportagewagen. Toen de Commer kwam, was dat inmiddels de negende auto in N.T.S.-dienst. Die nieuwe wagen werd ongeveer op dezelfde manier gebouwd als de oplegger. Dus voorin geluid, in het midden de regie, hierachter beeld en daarachter de materiaalruimte. Bijzonder was de noodslaapplaats voor de onderhoudsman, ook gemaakt met het oog op de bewaking van de dure spullen 's nachts. Gaandeweg realiseerde de schrijver dezes, dat we te maken hebben met een uniek product voor zowel de Nederlandse televisie als industrie. Zo werd er een begin gemaakt met het initiatief om deze eerste reportagewagen te restaureren in z'n oorspronkelijke opzet, samen met Philips, D.A.F, de Omroep en het Omroepmuseum. Dat leek mogelijk omdat alle spullen nog bij elkaar te halen zijn. Het zou echt uniek zijn wanneer we erin zouden slagen dit project te voltooien en de reportagewagen weer in originele staat te presenteren. Zover is het echter nog niet. Mocht u als lezer dit enthousiasme delen, schroom dan niet om even contact op te nemen. 

Jan de Vries 
obv75.JPG (21947 bytes) De N.T.S. oplegger-reportagewagen, met in dit geval een D.A.F. trekker ervoor. Er hoorde aanvankelijk een Ford F6 voor, met kentekenplaat 
NB-97-94, gebouwd in 1951.
Dit artikel is qua strekking eerder verschenen in nummer 49 van Beeld en Geluid, kwartaalschrift van de vrienden van het NAA-Omroepmuseum
De redactie van dit blad was zo welwillend toestemming te geven voor plaatsing in de Autobuskroniek. 

Tevens zouden wij wel weer willen weten over de opleggerbussen die bij Philips hebben gereden.

2004: Het project is nog altijd niet van de grond gekomen. Waar zitten de enthousiastelingen?